zondag 30 oktober 2011

Loslaten

Je weet als ouder dat je kinderen er zijn om ze los te laten. Je doet niets anders vanaf de dag dat ze naar de opvang, de peuterspeelzaal of de basisschool gaan. Maar toch is het de ene keer moeilijker dan de andere keer.
Dat laatste overkwam mij ruim een week geleden. Dochterlief, bijna 11 jaar oud, vroeg of ze met twee klasgenootjes naar de nieuwste film van Carry Slee mocht gaan. De ouders van één van de klasgenootjes waren bereid hen te brengen en te halen en zouden tijdens de film in de stad blijven. Na wat wikken en wegen, besloten we dat dit moest kunnen.

Er volgde een zoektocht op internet naar de filmtijden. Na overleg op het schoolplein over de beschikbare dagen en tijdstippen, was de conclusie: alleen de film van woensdag om half 5 is haalbare kaart. Probleem: géén van de vaders en moeders kon op dat tijdstip in de stad zijn. Een aantal was aan het werk, één ouder was met een uitstapje mee, ikzelf moest de andere dochter van en naar muziekschool en hockeytraining  halen/brengen, enz. Er was één denkbaar scenario: een vader zou hen brengen en een moeder zou, na haar werk, hen ophalen en thuis brengen.
Oeps, dat was een wat minder veilige gedachte. Geen ouder tijdens de film standby in de stad. Nee-zeggen kon natuurlijk niet meer. Dan maar diep ademhalen en “god zegene de greep”.

Op woensdagmiddag bracht ik onze dochter naar het klasgenootje. Bij de voordeur kreeg ik nog een verdwaalde kus en daar stond ik. Mezelf geruststellend toesprekend dat ze echt niet in zeven sloten tegelijk zouden lopen. Bovendien gingen ze naar de bioscoop waar ze, alle drie, al heel vaak waren geweest, ze kenden de weg, het was klaarlichte dag enz. enz. …


Het lukte prima. Ik dacht niet meer aan het uitstapje totdat het ter sprake kwam langs het hockeyveld, tijdens de training van onze jongste. “Wij waren toch een jaar of 15, 16 voordat we voor het eerst, zonder ouders, naar de bios gingen?” zeiden we tegen elkaar. Inderdaad, tijden veranderen.

Op de afgesproken tijd werd onze dochter thuisgebracht. Ze vertelde honderduit over de film (een echte Carry Slee-film over problematiek die meiden van die leeftijd bezighoudt); de drankjes en de versnaperingen die ze gekocht hadden (allemaal iets anders zodat ze samen konden delen); de bijna lege filmzaal (er waren maar vijf andere meiden waarvan twee meisjes, vergezeld door hun moeder, jaloers sisten “waarom mogen wij niet alleen gaan terwijl wij ouder zijn dan zij”).
Kortom, alles was naar wens gegaan. Ze hadden een leuke middag gehad en voelden zich enorm groot en zelfstandig. Totdat onze dochter mijn vraag over de heenreis beantwoordde.

De vader van het klasgenootje had hen niet tot bij de bioscoop kunnen brengen. Ze waren een stukje verder, bij de parkeergarage - waar wij vaak parkeren als we naar de stad gaan -  afgezet. Geen van drieën bleek de weg te weten naar de bioscoop. Wel wist één van hen de weg naar de McDonald’s! Ze besloten daar naar toe te lopen en daar de weg verder te vragen. Gelukkig had onze dochter onderweg ineens een stukje stad herkend. Zij had vanaf die plek de meiden naar de bioscoop geloodst. Ze zuchtte erbij: “we hebben daardoor een heel stuk om gelopen, maar we waren gelukkig nog op tijd.”  

Toen ik het ’s avonds aan mijn man vertelde, verzuchtten we samen: “loslaten, het schijnt erbij te horen, goed dat we niet altijd alles weten”.

zondag 16 oktober 2011

Kappers


Twintig jaar geleden verhuisden we, mijn partner en ik, van Nijmegen naar Zuid-Limburg. We waren net afgestudeerd en zochten werk. Het was eind jaren tachtig, de vorige economische crisis. Onze afspraak was: als één van ons een baan vindt dan verhuist de ander mee. Waar dan ook in Nederland. Mijn partner vond uitgerekend een vaste baan in mijn geboorteplaats. En dat terwijl ik op mijn achttiende was vertrokken met de mededeling dat ik daar nooit meer zou gaan wonen. Mooi niet dus.  
Na wat oponthoud vond ik ook werk en we kochten een huis in Parkstad, dat toen nog die vreselijke naam Oostelijke Mijnstreek had. Ik herontdekte het prachtige heuvelland, op een kwartier rijden van ons huis, trok regelmatig de wandelschoenen aan en begon me steeds meer thuis te voelen.

Er bleven mij wel een aantal verschillen tussen Nijmegen en Zuid-Limburg opvallen.  Allereerst het enorme aantal kappers hier. Tot soms wel vijf of zes per straat in een gewone woonwijk! In Nijmegen waren twee kappers in een straat eigenlijk al een uitzondering.
Wat me ook opviel, was de aandacht die mensen hier aan hun uiterlijk besteden. Tip top staat (bijna) iedereen erop. Een jas of broek die niet meer in de mode is, zie ik hier bijna nooit. Op mijn vrije dagen thuis zondigde ik aanvankelijk volop tegen die regel. Viel dat even tegen toen ik op mijn niet-werkdagen onze oudste dochter naar school ging brengen. Oude broek, fleecevest en niet-modieuze jas: dat ging niet op het schoolplein.

Datzelfde gold voor mijn haar. Ik was tijdens mijn studententijd al behoorlijk grijs

zaterdag 8 oktober 2011

Hockey, een vak apart


Het is alweer ruim drie jaar geleden dat we op zoek gingen naar een actieve, intensieve, sport voor onze oudste dochter. Ze had haar a-b-c-zwemlessen achter de rug en veel te veel energie over nu ze niet meer één keer per week afgemat werd tijdens zwemles. Bovendien begon het wekelijkse uurtje turnen, dat ze vanaf haar zesde jaar bezocht, meer en meer te lijken op een uurtje wachten op haar beurt op bijvoorbeeld de trampoline. Niet echt de ideale sport om energie kwijt te raken.
Zelf wilde ze graag op voetbal, maar dat leek ons, ouders, niet zo’n verstandige keuze. We hoorden teveel over de verruwing op het veld en, niet te vergeten, langs de lijn. Zo piekerden we door totdat ze zelf plotseling vroeg of ze bij haar klasgenootje op hockey mocht.
De hockeyclub ligt niet op loop- of fietsafstand, maar tien autominuten van ons huis. Eigenlijk tegen onze principes om zo’n eind te slepen met je kind naar een sportclub. Hockey was daarentegen wel de sport die manlief als middelbare scholier met veel plezier had beoefend. Dus, op naar een training van het team van het klasgenootje. Ze mocht met een geleende stick meedoen. Na een uur achter de bal aan racen, kwam ze met een rode boei, uitgelaten, op ons af: “Dit is leuk, mag ik hier op?”
Wij hadden in de tussentijd tekst en uitleg gehad en ik had daarna op een bankje vooral zitten genieten van de goddelijke locatie van de hockeyvelden. Aan de ene kant omzoomd door een enorme bospartij, aan de andere kant vrij uitzicht op een heuvellandschap met paardjes, hagen en heggetjes. Ik zag het wel zitten om

zondag 2 oktober 2011

De overgang

“Zullen we eens een bloedtest doen om te zien of je in de overgang bent?” vraagt mijn huisarts. De overgang? Ik? Geen haar op mijn hoofd dat daaraan denkt. En waarom ook? Ik heb geen klachten die ik associeer met de overgang: opvliegers waar je een waaier bij nodig hebt (dat zag ik ten minste bij de receptioniste op mijn werk), een hoofd dat je buiten het raam moet steken om af te koelen, ’s nachts zwetend wakker worden, onder de douche springen en je bed verschonen omdat alles drijfnat is… Alhoewel, van dat laatste heb ik toch al jaren af en toe last. Dat begon vier, vijf jaar geleden. Als ik weer eens voor onze jongste dochter mijn bed uit moest om haar knuffel te zoeken of haar te troosten na een enge droom, dan zat ik vaak rillend van de kou op de rand van haar bed, drijfnat van het zweet. Dus misschien zit er toch iets in de suggestie van mijn huisarts.
Alsof het zo moet zijn, mijn gymgroepje is een week geleden naar een lezing over de overgang geweest in de plaatselijke bibliotheek. Bijna allemaal 45 plus constateerden we dat dit zinvol kon zijn als voorbereiding op dat wat straks gaat komen. Helaas kon ik niet mee naar die lezing, maar ik kreeg wel meteen de titel van het boek dat die avond werd aanbevolen door de dames die de lezing gaven, twee gynaecologen en